Een ritueel instinct? 9-11
Kan iemand een bijzonder gevoel voor rituelen hebben zoals mensen al of niet muzikaal zijn? Bij muzikaliteit gaat het om een gevoeligheid voor ritme, toonhoogte of harmonie. Het kan dus zijn dat bij gevoel voor rituelen onderscheid in gevoel voor bepaalde aspecten van het ritueel moet worden gemaakt zoals gevoel voor symbolen, voor het theater of voor tradities. Voorlopig denk ik dat het gevoel voor rituelen voornamelijk neerkomt op een bijzonder gevoel voor spel en theater. Ik sta dus wat langer stil bij spelen.
Rituelen begrijpen, is voor mij beginnen met de dagelijkse gewoontes bestuderen en daarvan de geritualiseerde gewoontes ontleden, deconstrueren. Bijvoorbeeld tandenpoetsen. Tandenpoetsen is een goede gewoonte maar er valt meer over te zeggen. Soms is tandenpoetsen een gewoonte plus iets extra's, er komt een functie bij. Het kind kan vol trots zijn eigen tanden poetsen om oma te laten zien hoe knap het al is (1). De poetsende adolescent op weg naar het schoolfeest wil parelwitte tanden vanwege het stralende geluk en de liefde (2). De man poetst na een avond stappen wat langer omdat de alcohol en de nicotine hem een gevoel van spijt bezorgen (3). Ouderen kunnen bij vlagen extra poetsen om het onvermijdelijke tegen te gaan. Het gebit en het tandvlees symboliseren dan het uiterlijk verval (4).
De evolutie van habits naar full blown rituals zien we ook bij de wijze waarop mensen 'avonds eten. De meest kale gewoonte om te eten is koelkast-eten waarbij men elkaar alleen nog bij de koelkast tegenkomt. Enigszins te vergelijken met het TV-diner zittend op de bank. Door de weeks verlopen maaltijden anders dan in het weekend en vaak, als er gasten mee eten weer anders. En dan de jaarlijkse ceremonie rond het kerstdiner met een uitnodigend woord aan tafel te gaan, het moment van stilte, de toost, de onderbrekingen tussen de gangen van het menu, de feestrede en de Christmas crackers. Onze tafelmanieren begeleiden de overgangen van (dierlijke) honger naar (menselijke) trek, van het smakelijke eten van voedsel naar verzadiging. Tafeletiquette geven de maaltijd een extra dimensie.
Individuen ontwikkelen gewoontes en we kennen de macht der gewoonte. De één heeft meer gewoonten ontwikkeld dan de ander. Neuroten kunnen zelfs last van hun dwangmatige gewoonten krijgen. Los van het feit of iemand veel of weinig gewoonten heeft, denk ik dat er zoiets als een ritueel instinct bestaat, een essentieel ritualisme dat de mens en de directe medemens als bron heeft. Deze kleinste sociale eenheid bestaat uit 'ik en de ander'. Deze kleinste eenheid heeft het vermogen tot sociale integratie. 'Ik en de ander', wij tweeën moeten dat hebben want zelfs de kluizenaar wil overleven. 'Ik en de ander', wij moeten noodzakelijkerwijs 'in de plaats van de ander (te) denken' (Kant). Uit welbegrepen wederzijds eigen belang tasten we door middel van participerende observaties elkaar af. En via herinneringen leren we de gewoonten van elkaar kennen. Sommige van mijn en jouw particuliere gewoontes komen overeen en ieder van ons gaat - hoe minimaal ook - een gedeeld belang inzien. Ik noem dat een metafysisch belang omdat dit gedeelde belang onze individuele belangen overstijgt. Onze gewoonten tonen behalve de ontelbare kleine verschillen (de wijze van fietsen, autorijden, ruzie maken) ook enkele fundamentele gelijkenissen (we willen bijvoorbeeld heelhuids thuiskomen, niet aan geweld ten onder gaan). Naast de verschillen en onderscheidingen ontwikkelen we op basis van stukjes gedeelde praktijk een overlappende consensus (Rawls). Van daar uit ontwikkelen zich meer overlappende en sterk gekoesterde gewoonten, gewoonten die we cultiveren, elkaar spelenderwijs tonen en vooral ritualiseren omdat we er betekenissen aan toekennen (veiligheid, vertrouwen enz.). Mijn en jouw eigen idiosyncratische spelregels horende bij bepaalde gewoonten hebben en houden we. Maar daarnaast zit diep in ons geheugen en delen we de notie van fair play, van common sense, van een gevoel van gemeenschappelijkheid (sense communis). We vinden elkaar op de grondregel van religies: Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook de ander niet. Mijn ik-bijdrage aan ons wij-project, hoe bescheiden van schaal ook, gaat steeds meer bestaan uit aansluitingshandelingen, uit symboolhandelingen die verwijzen naar het meta-niveau van de saamhorigheid, het gemeenschappelijke (samen eruit komen). De noodzaak van redelijkheid en daarmee bescheiden coöperatie, mijn en jouw ritualisme (sense ritualis) bevestigt in de eerste plaats, falsificeert al doende en modificeert zo nodig de structuur waarin we leven. Rituelen ontstaan bottom up en dienen als smeerolie in het sociale verkeer.
Oliver Sacks maakt op basis van geheugenverlies onderscheid tussen het relatieve jonge episodisch geheugen en het oude procedureel geheugen. Ik associeer het oude procedureel geheugen met rituelen en religieuze gevoelens. Het relatief nieuwe episodisch geheugen koppel ik aan religies en godsdiensten. Basaal of procedureel geheugen is ouder, bevindt zich in de hersenstam, is robuust, is primitiever en meer uitvoerend met veel handelen. Een letsel of ontremming vanuit de hersenschors lijdt tot woordenkramerij, confabulaties. Witzelsucht of snaaks, babbelzucht, met veel herhalingen en stereotypie. Is fragmentarisch met tekens van grapziekte, imitaties en mimicry. Veel is symbolisch, volgens spelregels en vaak impliciet. Episodisch geheugen is jonger, nieuwer, explicieter. Bevind zich in de hersenschors, is 'snel weg', met veel herinneringen en bruikbare kennis en feiten. Autobiografisch, afhankelijk van de waarnemer, selectief, gekleurd door interesses, waardeafhankelijk en associatief. Er lijkt mij eerder een ritueel instinct dan een religieus instinct te bestaan. Rituelen zitten in ons, een religie of een geloof - denk ik - komt erbij.
Het ritueel beschouw ik als een serieus gespeeld spel en gespeeld met een ander. En omgekeerd, spel en vele sporten zijn geritualiseerd. Ravottende honden die gestileerde houdingen van de aanval aannemen en net niet in elkaars oren doorbijten. Poesjes spelen met een klosje en blazen opeens naar elkaar. Huizinga met Homo Ludens, hij die speelt. Spel en sport (fair play) als 'licht' concept zijn uitingen van beginnende cultuur en beschaving (proto-cultuur). Waarom of waartoe spelen we eigenlijk? Daarvoor zijn vele redenen te geven zoals de ontlading van overtollige energie (hollen, stoeien). Ontspanning na inspanning (jeux de boulles, knikkeren, zwemmen, patience spel, puzzelen, strand en zandbak). Vóór-spel (flirten). Aangeboren zucht tot nabootsing (hinkelen). Sadistisch spel (kat en muis spelen) en opvoedende spel (Mens erger je niet). Oefening in zelfbedwang (schermen, kunstschaatsen, boogschieten) of op de 100 meter het eerst willen zijn. Soms spelen we om het geweld te kanaliseren; voetballen als substituut voor oorlog. We spelen en sporten soms vanwege de aangeboren behoefte te heersen (worstelen, boksen, vliegeren). Het kan gaan om de onschuldige afvoer van aandriften (dart, schijfschieten) of om de bevrediging van onvervulbare wensen in een fictie (dobbelen, casino, hoogspringen, fort bouwen aan de vloedlijn). In het spel kan je ook met opzet maatschappelijke verhoudingen parodiëren (toneelspel). Spel en sport zijn dus uitingen (prestaties) van cultuur en beschaving en zijn op zich ook (performatieve) middelen om cultuur en beschaving te tonen, te laten zien.
Mensen kunnen hartstochtelijk in het spel opgaan en soms kraait een baby in de wieg opeens van plezier. Wat is de aardigheid van spelen? Volgens Huizinga is spel een vrije handeling, je kiest ervoor in vrijheid. Vele spelletjes zijn gratuit, er is voor zulk spel geen rechtvaardiging nodig en staat boven instandhouding, paarvorming, reproductie en voortplanting. Het spel of spelen zou volgens velen overbodig zijn en er zou geen noodzaak tot spelen zijn. Het spel zou je ook kunnen laten. Ik denk dat het anders gaat. Volgens mij geen leven zonder spel-leven. Geen reproductie zonder voor-spel. Spel is voor mij een voedingsbodem voor cultuur en beschaving. We kunnen niet zonder spel, evenmin buiten gewoontes. Het kind met de knuffel zoekt op symbolisch niveau naar 'alsof' oplossingen van levensproblemen, het speelt een geritualiseerd spel waarbij de verworven autonomie (= het hebben van een eigen knuffel) het gevoel geeft op de situatie greep te hebben. Daarom is het spel van kinderen vaak ernstig. Een speler voelt en handelt én observeert soms zich zelf. En in het ritueel ben je niet meer gewoon jezelf, je speelt een rol, hebt een rol, neemt een rol, geeft een ander een rol, accepteert een rol. Vallen die rollen weg, kun je een langere periode geen enkel spel meer beoefenen, dan ontstaat structuurloosheid, diepe verveling.
Net als het ritueel speel je een spel binnen een bepaalde ruimte en tijd. Begin van het spel, eventuele onderbreking, intermezzo, herhaling en einde van het spel. De regels van het spel bepalen wanneer het jouw beurt is, je uit bent en je verloren hebt. Regulerende regels bepalen en geven exacte grenzen aan. Deze procedurele regels moet je onderscheiden van de constituerende regel van fair play (= gedraag je sportief). Zoals we allemaal de constituerende meta-regel kennen van 'je gedraagt je als een heer in het verkeer'. Wat fair play of 'gedraag je als heer' inhoudt, is niet helemaal duidelijk, is vaak ambigu. Met opzet onduidelijk en multi-interpretabel, zou ik eraan willen toevoegen. Constituerende regels zijn gezaghebbend omdat ze elementair, van buiten, van boven cq van God lijken komen (super human agency). Er bestaan drie manieren om met de regels van het spel (en met de regels van het ritueel) om te gaan: 'het spel mee spelen', 'vals spelen' of spelbreker zijn. Het laatste, het spel breken is taboe. Ben je spelbreker van het ritueel dan plaats je jezelf buiten de kring, buiten de orde. Voor het systeem zijn de dissident, outlaw, ketter, nieuwlichter en gewetensgevangen het gevaarlijkst. Zij hollen als kind boos de kamer uit, gaan zich afzonderen, vormen een eigen club, groep, genootschap, gaan gewichtige dingen delen, maken nieuwe regels. De nieuwe club hoort bij spelbrekers als de hoed bij het weggelopen hoofd. De tweede manier van omgang met spelregels is vals spelen. Vals spelen is veel minder erg dan het spel breken. Een beetje vals spelen mag, echt bedriegen weer niet. Het naar je hand zetten, buigen of verdunnen van spelregels is minder kwalijk dan het spel verstoren door het af te breken. De procedurele regels van het spel en het ritueel lijken heilig maar zijn dat toch ook weer niet. De codificatie is nooit volledig, kleine verschillen mag je uitbuiten. Onenigheid op basis van het narcisme van het kleine verschil hoort erbij. Je zoekt spelenderwijs de ruimte en hiervan maak je gebruik bij de ombuiging van geritualiseerde slechte gewoontes zoals huiselijk geweld en eer-gerelateerd geweld. Dus clitoridectomie probeer je met leugentjes om bestwil tot een niet-verminkend ritueel om te buigen. Met een pokerface liegen is maximaal non-verbaal theater en als onderdeel van het spel of ritueel aanvaardbaar en wordt soms juist gewaardeerd. Daarbuiten niet. Rooms-katholieke rites zitten er vol mee vandaar dat formele ontkenning van pedofilie zo schadelijk voor de kerk was. De eerste en belangrijkste spelregel is het spel goed spelen, dat is vele malen belangrijker dan vals spelen.
Alles bij elkaar gaat het gevoel voor rituelen volgens mij samen met de competentie vooral het spel te kunnen spelen, een gevoel voor drama, acteertalent, te doen alsof (faken). En dit spel kan je ook in je eigen wereld spelen. De één neemt op het podium zonder moeite een rol op zich en de ander kan dat juist niet. Rituele gevoeligheid, liturgie fahigkeit, ritueel instinct, talent voor en bekwaam in rituelen lijkt mij de kunst van spelen. Deze sense of ritual of sensibility for rituals veronderstelt gevoeligheid voor alle rituelen. Verder over nadenken.